De bedoeling van het boek is het atheïsme handen en voeten te geven. Atheïsme is om de één of andere rede altijd van alles 'niet'. Terwijl het ook als iets uitgesproken positiefs en inhoudelijks gepresenteerd kan worden:
Hoofdstuk 1 gaat voornamelijk over definiëring: Wat verstaan we onder geloof ? Waar komt het vandaan ? Hoe lang is het er al ? Wat verstaan we onder atheïsme ? Hoeveel soorten atheïsme zijn er ? Hoe lang is er al atheïsme ? In dit hoofdstuk komen (ter wille van de definiëring) vooral Freud en Nietzsche aan het woord met enkele prachtige citaten van beide denkers.
In hoofdstuk 2 komen de filosofen van de oudheid, de middeleeuwen en de moderne tijd aan bod. Die worden kort, maar niet te kort weergegeven op een leesbare en hier en daar humoristische manier. Van de oudheid worden zestien denkers besproken, van de middeleeuwen acht en van de modernen tweeëntwintig:
De wijsgeren van de oudheid leggen eerst een monumentale basis. Aan de hand van onder andere Augustinus, Scotus en Erasmus laten we zien, dat het seculiere denken dwars door de Middeleeuwen doorliep en (mede)aanleiding gaf tot de Renaissance en de Reformatie. Daarna komen de moderne denkers aan bod, te beginnen met Descartes.
Er worden in totaal 46 samenvattingen gepresenteerd van de volgende filosofen:
- Pre-socratische filosofie: Thales, Anaximander, Pythagoras, Xenofanes, Heraclitus, Anaxagoras, Protagoras, Demokritos.
- Socratische filosofie: Socrates, Plato, Antisthenes, Diogenes, Aristoteles, Epicurus
- Post-socratische filosofie: Bion, Lucretius.
- Katholieke filosofie: Augustinus, Boethius, Scotus, Averroes, Occam, Wycliffe, Erasmus, Bruno.
- Moderne filosofie: Descartes, Spinoza, Hobbes, Bayle, Meslier, Hume, d' Holbach, Fichte, Feuerbach, Bradlaugh, Nietzsche, Freud, Canabal, Russell, Sartre, Dawkins, Hitchens, Philipse, Condell, Cliteur, Onfray, Harris
Aan iedere denker wordt ongeveer een halve tot twee pagina's besteed.
Het geheel wordt zodanig aan elkaar geregen, dat er een vrij complete filosofie ontstaat: De denkers van de oudheid, vooral de oude Grieken, beginnen heel voorzichtig het rationele denken te prefereren boven het religieuze denken. Scotus en Averroes leggen in de middeleeuwen een basis voor seculiere twijfel. Erasmus maakt religieus denken belachelijk. Spinoza in de moderne tijd laat zien, dat atheïsme redelijk is, godsdienst onredelijk en legt daarmee de basis voor de Verlichting. Nietzsche benadert het vanuit de moraal. Freud vanuit de psychologie. Dawkins 'laten' we de evolutieleer van Darwin uitleggen, enzovoorts. In totaal ontstaat er dan iets, wat je zou kunnen omschrijven als de filosofische ruggegraat van het atheïsme. Alle genoemde denkers presenteren we zodanig, dat ze één geheel vormen. Zodat het atheïsme niet langer iets nìet is, maar zelf inhoud heeft.
Hoofdstuk 3 behandelt de cultuurperiodes: Oudheid, Middeleeuwen, Renaissance, Reformatie, Verlichting, Industriële Revolutie en Informatie Revolutie. Alle 7 periodes worden zodanig beschreven, dat er eigenlijk één cultuurhistorische lijn door alle periodes heen loopt; namelijk secularisme. Aan het einde van dit hoofdstuk wordt dan ook de volgende conclusie getrokken: "Geschiedenis is secularisatie" !
In hoofdstuk 4 wordt het geweld getoond, dat altijd van religie uit is gegaan: De zeer vijandige houding ten opzichte van andersdenkenden, die vaak onvoorstelbaar gruwelijke vormen aannam.
Eerst wordt er een classificatie gegeven van alle vormen van terreur. Te beginnen met zelfkastijding, via onderdrukken van sexualitiet tot banaal lichamelijk geweld.
Daarna komt er een chronologisch verslag van alle vormen van bloedvergieten door de eeuwen heen: De eerste (mytische) moord, Kain en Abel. Daarna de slachtoffers in de oudheid, onder andere Socrates. De 'bekeringen met het zwaard' ten tijde van Karel de Grote. De slachtpartijen van de kruistochten. De ketter verbrandingen bij de Reformatie. Het verband tussen het katholicisme en het fascisme. En ook de terreur van joden, hindoes, boeddhisten en islamieten wordt uitgebreid aan de kaak gesteld.
Hoofdstuk 4 is dus samen te vatten als "de religiante terreur door de eeuwen heen".
Hoofdstuk 5 heeft twee onderwerpen: Ten eerste het verband tussen atheïsme en kennis en ten tweede het verband tussen atheïsme en individualisme.
Geconstateerd wordt, dat er een omgekeerd evenredig verband bestaat tussen de hoeveelheid kennis en de behoefte aan godsdienst: In de oudheid was er geen enkele wetenschappelijke informatie en veel godsdienst in allerlei vormen. Toen de boekdrukkunst plaats had gevonden kwamen er wat andere boeken dan de bijbel, de informatie nam wat toe en....er ontstond de Reformatie. Tijdens de Verlichting kwam er een hausse aan boeken en de secularisatie nam nog meer toe. Zo zal het internet de secularisatie wereldwijd maken.
Ook wordt in dit hoofdstuk duidelijk gemaakt, dat er een verband bestaat tussen atheïsme en individualisme. De kerk is door de eeuwen heen altijd uiterst collectief en individualisme-vijandig is geweest. Het Latijnse ‘religio’ wordt in verband gebracht met het werkwoord ‘ligare’, binden (van Hooff). Oorspronkelijk moesten de goden 'gebonden' worden, maar in de loop van de eeuwen is het 'binden' zich steeds meer op de gelovigen zelf gaan richten.
In hoofdstuk 6 wordt een verband gelegd tussen het atheïsme en de kwantum-theorie. Eerst wordt op populair-wetenschappelijke wijze (zonder wiskunde) uitgelegd, waar de kwantum-theorie op neer komt. De kwantum-theorie wordt uitgelegd als een kennis-theorie, die overkoepelend is ten opzichte van de kennis-theorieën, waar de lezer al kennis mee heeft gemaakt in hoofdstuk 2, zoals de 'Allegorie van de Grot', de 'Ideëenleer' en het 'Cogito'.
Dan wordt uit de doeken gedaan, wat het Onzekerheidsprincipe van Heisenberg is (ook zonder wiskunde) en hoe dat tezamen met het vacuüm de oerknal veroorzaakte. Dit vormt in feite het bewijs voor het niet bestaan van een god. Het ontstaan van het heelal was namelijk een tweesporenbeleid: Enerzijds het vacuüm, anderzijds het Onzekerheidsprincipe van Heisenberg. Als er een god was geweest, dan had je geen vacuüm en was de schepping dus niet door gegaan. En dat bewijst, dat god niet bestaat.
Het boek is gericht op mensen, die zich interesseren voor atheïsme in het algemeen en de steeds verdergaande secularisering van onze maatschappij in het bijzonder. Verder op mensen, die geïnteresseerd zijn in filosofie, psychologie, geschiedenis, politiek en theoretische natuurkunde.
Veel is ontleend aan de volgende auteurs:
LITERATUUR:
Aristoteles: "Het opperwezen"; "Politica"
Bacon: "The Advancement of Learning"
Bailey: "The Greek Atomists and Epicurus"
Bayle: "Thoughts on the Comet"; "Historical and Critical Dictionary"
Boethius: "Consolatio"
Bruno: "De l'Infinito, Universo e Mondi"
Caesar: "Oorlog in Gallie"
Cliteur: "Moreel Esperanto"
Cornford: "From Religion to Philosophy"
Dante: "De Goddelijke Komedie"
Darwin: "Origen of Species"
Dawkins: "The Selfish Gene"; "The Blind Watchmaker"; "A Devil's Chaplain"; "The God Delusion" Deane: "The First Industrial Revolution"
Descartes: "Discours de la Methode"; "Meditations"; "Principia Philosophiae"
Diderot: "La Religieuse"; "Encyclopedie"
Diogenes Laertius: "Leven en leer van beroemde filosofen"
Einstein: "Die Grundlage der Allgemeinen Relativitäts-theorie"
Erasmus: "Lof der Zotheid"; "Contemptu Mundi"
Fortuyn: "De Islamisering van Nederland"
Freud: "Het Ik en het Es"; "Neurose en psychose"; "Dwanghandelingen en godsdienstoefeningen"; "Het Onbehagen in de Cultuur"; "De Toekomst van een Illusie"; "Totem en Taboe"; "De Man Mozes en de Monotheistische Religie"
Hitchens: "God is Niet Groot"
't Hooft: "De Bouwstenen van de Schepping"
Huizinga: "Herfsttij der Middeleeuwen"
Israel: "De Republiek"; "Enlightenment Contested"
Kant: "Kritiek van de Zuivere Rede"
Lucretius: "De Rerum Natura"
Mansfeld: "Heraclitus"
Marx: "Het Kapitaal"
Montesquieu: "The Spirit of Laws"
Moody: "The logic of William of Occam"
Nietzsche: "De Anti-christ"; "Voorbij goed en kwaad"; "De Vrolijke Wetenschap"; "Genealogie der Moraal"; "Morgenrood"; "Menselijk al te Menselijk"
Palmer: "A History of the Modern World"
Plato: "De Staat"; "Apologie"; "Theaetetus"; "Phaedrus"; "De Sofist"
Rousseau: "Verhandeling over de Ongelijkheid"; "Emile"; "Le Contrat Social"
Russell: "Geschiedenis der Westerse Filosofie"; "Waarom ik geen christen ben"
Scotus: "Over de Indeling van de Natuur"
Shelley: "De Noodzaak van het Atheisme"
Spinoza: "Ethica"; "Tractus Theologico-politicus"
Voltaire: "Philosophical Letters on the English"; "Elements of the Philosophy of Newton"